Grembergen kermis
Momenteel vieren we in onze verschillende kerkplekken kermis.
Ieder weekend een andere deelgemeente. Vanwaar komt deze traditie, hoe is die ontstaan?

Kermis en religie

De kermis is een jaarlijkse traditie met een rijke geschiedenis die ver teruggaat tot in de vroege Middeleeuwen. Naast een economisch gegeven is het vooral een culturele activiteit die mensen dichter bij elkaar brengt. De naam ‘kermis’ komt vermoedelijk van het woord ‘kerkmis’. Elk jaar werd een plechtige mis opgedragen ter ere van de patroonheilige van de kerk of ter herinnering aan de kerkwijding. Deze viering had plaats op de naamdag van de patroonheilige. Zowat iedereen van het dorp of de stad was aanwezig omdat men op die dag vrijaf kreeg. De mensen stroomden toe, gingen op hun knieën voor het Allerheiligste en verstomden voor de aanblik van de relieken die in de ommegang werden meegedragen. Na het officiële gedeelte volgde het tweede gedeelte: de kermis. Vaak kreeg deze de naam van de kerk, bijvoorbeeld Sint-Janskermis. De feestviering kreeg gaandeweg een breder en uitbundiger karakter en het religieuze karakter werd naar de achtergrond verdrongen. Kerkmis werd kermis. Zo’n kermis kon enkele dagen tot drie weken duren. Voor de middeleeuwer, die keihard moest werken om te overleven, was dit één van de weinige uitgaansmogelijkheden. Tevens was het een mooie gelegenheid voor jonge mensen om elkaar te ontmoeten. Kermissen werden in de loop der eeuwen tot op vandaag ook gevierd bij andere feestelijkheden, zoals Aalst Carnaval en de H. Bloedprocessie in Brugge.    

Kermis en foor

De term ‘foor’ komt van het Latijn ‘forum’ (= markt) en werd gebruikt voor kermissen die hun oorsprong vonden in de Middeleeuwse jaarmarkten. Handelaars uit alle windstreken konden er hun producten kwijt. Daarnaast zagen de bezoekers muzikanten, goochelaars, evenwichtskunstenaars, krachtpatsers en vuurspuwers aan het werk. In de Middeleeuwen was de gezondheidszorg erbarmelijk. Mensen besteedden nogal wat geld aan allerhande wondermiddelen. Kwakzalvers verkochten middeltjes die zogenaamd overal goed voor waren. Indische slangenolie bijvoorbeeld zou helpen tegen allerlei kwaaltjes maar je kon er evengoed vlekken mee verwijderen! In de 19de eeuw zorgden de toename van de bevolking en de industriële revolutie voor steeds meer winkels. Daardoor waren de handelaars niet echt meer nodig op de kermis. Een verzameling rariteiten kwam in de plaats zoals wildemannen en dansende beren. Veel evenementen waarop wij onze vrije tijd doorbrengen zijn begonnen op de kermis: het circus, de dierentuin, de bioscoop, het theater. Kermisexploitanten zagen de mogelijkheden van nieuwe uitvindingen en ontdekkingen. Zo werd de ontdekking van de elektriciteit op grote schaal gebruikt om de attracties aan te drijven en te verlichten en een wondere wereld van glans en glitter te creëren. Sinds de moderne elektronica in 1980 is de bediening van kermisattracties computergestuurd.

Van kijken naar beleven

In de 18de eeuw vond de burgerij de kermis onbeschaafd en ruw. Er werd veel gedronken, geflirt, gegokt, gevochten en er was sprake van dierenmishandeling. Rond 1900 waren er dan ook bijna geen kermissen meer. Pas na de Tweede Wereldoorlog verschenen ze weer overal. Er is wel een groot verschil met vroeger. Toen bestond het kermisvermaak vooral uit kijken en verwonderen. Nu gaat het veeleer om het beleven van spannende dingen: hard, hoog en eng. Denken we maar aan het reuzenrad, de rupsbaan, de roetsjbanen, de botsautootjes en het spookhuis. Naast de bekende draaimolen voor de kleinen verscheen later de zweefmolen voor de groten.

Van generatie op generatie

Voor kermisuitbaters is het bij manier van spreken alle dagen kermis. Zij houden het land draaiend. Kermismensen trekken in het kermisseizoen van de ene plaats naar de andere. Aanvankelijk te voet met een handkar. Wie meer geld verdiende, reisde met paard en kar. Of in een woonwagen, zowat de voorloper van de caravan. Omdat ze zoveel reisden, hoorden de kermisfamilies nergens helemaal bij. In het kermisseizoen hielpen de meeste kinderen hun ouders. Van oktober tot maart gingen ze doorgaans naar de winterschool, op de plaats waar de ouders hun huis of woonwagen stond. Dat veranderde vanaf de leerplichtwet in 1914. Kermismensen stuurden hun kinderen naar internaten of brachten ze onder bij familie of kennissen. Naar Nederlands model werd in 2006 de rijdende school opgericht, een mobiele leswagen die met de kermis meereist. De meeste foorkramers treden al generaties lang in de voetsporen van hun ouders om het beroep verder te zetten. Er wordt ook meestal gehuwd binnen de gemeenschap.    

Cultureel Erfgoed

De kermis is de rode draad in feestelijk Vlaanderen: mensen samenbrengen en voor vreugde en plezier zorgen: een kermisfuif, een kermiskoers, een jaarmarkt, een rommelmarkt, volksspelen. Elk van ons heeft wel één of andere herinnering aan de kermis: de familiebijeenkomst, het kermiseten, het eerste liefje. De kermiscultuur werd opgenomen in de lijst voor Immaterieel Cultureel Erfgoed. Die erkenning is een cruciale factor voor foorkramers in het doorgeven van het kermisgebeuren aan toekomstige generaties. De coronacrisis echter maakte de kermismensen lange tijd onzichtbaar want evenementen waren uitgesloten. Dat betekende geen inkomen om onder andere de kosten van onderhoud, keuringen en vergunningen te betalen. Er was wel ondersteuning van de overheid maar je kan niet eeuwig attracties blijven poetsen en oliën. Na maandenlange stilstand ziet het er opnieuw rooskleuriger uit voor de kermisfamilies. Vanaf september kan er weer - voorzichtig - gekermist worden!             

Agnes De Mulder

 

Zoeken

Dekenaal nieuws