Brief van Pastoor De Craene 16-09-2019

VERLATENHEID EN NABIJHEID

Het zijn diepmenselijke gevoelens die ons bestaan vroeg of laat tekenen. Van iemand die gestorven is, die op pensioen gaat, die breekt met een bestaande groep of organisatie zegt men: ‘Hij of zij heeft ons verlaten’. Een bepaalde levensperiode wordt daarmee afgesloten. Allen kennen wij geregeld die moeilijke opdracht om wat vroeger was achter ons te laten. Hoe mooier de herinneringen, hoe pijnlijker het loslaten van wat ons vroeger zo gelukkig heeft gemaakt. Afscheid nemen vraagt vooral veel begrip van wie er mee te maken heeft. Bij het ziek en oud worden kennen wij eveneens die intense gevoelens. Ziekte en lijden verplichten ons afscheid te nemen van een gezond en zorgeloos bestaan. Een loslaten van wat ons leven een diepe zin gaf. Immers ziekte tekent je ganse leven. Je hebt niet alleen een ziekte, je wordt een ‘zieke mens’. Daardoor zo dikwijls afhankelijk van de goede zorgen en aandacht van medemensen: van je partner, geliefden en professionele hulpverleners. Wie ziek is voelt zich op zichzelf teruggeslagen, zo bedroefd en alleen. Je hebt je eigen leven niet meer in handen en wordt onzeker over je eigen toekomst. Want ziekte treft niet alleen je lichaam, ook je psychisch welbevinden wordt aangetast, je goede relaties met anderen verdwijnen dikwijls en je stelt je vragen rond de zin van je leven en uiteindelijk over het geloof in die God die leven geeft.

Ook diegenen die dagelijks voor een zieke zorgen: partner, kinderen, alle mantelzorgers… kennen pijnlijke momenten. Ze delen in de zorgen en vragen van wie ziek is, worden geconfronteerd met tal van zinsvragen, weten zich ook dikwijls verlaten door het wegkwijnen van tal van goede relaties. Daarom moeten wij niet alleen aandacht hebben voor de zieke maar ook voor allen die de zieke mens omringen. De partner die een andere levensinvulling kent, het kind of de jongere die na school nog voor een zware verzorgingsopdracht staat, kinderen die voor hun ouders of familielid zorgen, enz. Ook zij vragen onze grootste aandacht en waardering. Zo noodzakelijk om het vol te houden

Hoe gaan wij daar mee om? In het evangelie leert Jezus ons om wie zich verlaten voelt nabij te zijn. Bijvoorbeeld bij Marcus 8 krijgen wij daar een mooi voorbeeld van. Jezus is op weg met zijn vrienden. Het illustreert ons dagelijks op weg zijn in het leven. Daar tegenover staat Bartimeüs. Hij zit aan de kant van de weg te bedelen. Het was de sociale zekerheid van toen. Iedereen was als gelovige verplicht om een aalmoes te schenken. Maar Bartimeüs vroeg meer. Hij vroeg aandacht. De mensen snauwden hem toe dat hij moest zwijgen en tevreden zijn met wat men hem gaf. Maar Jezus had de kreet van Bartimeüs gehoord. Hij onderbrak zijn tocht en zei dat men die man in het midden van de groep moest brengen. Wie ziek is mag niet geïsoleerd worden en vereenzamen, integendeel. Jezus vroeg hem: ‘Wat wilt ge dat ik voor u doe?’ Zijn eerste houding was ’Luisteren’. Hij liet de zieke zelf aan het woord. Jezus ging niet als een betweter naar de gekwetste mens toe maar als iemand die  Bartimeus op verhaal liet komen. Hij maakte ruimte tot gesprek en gaf hem zo het gevoel ‘ik tel (hij mag vertellen) hier nog mee’. Zijn diepste verlangen was ‘Heer maak dat ik zien kan’. Help mij om terug iets te zien in mijn droeve en duistere bestaan. Met een teder gebaar, teken van betrokkenheid, wou Jezus helpen. En Hij zei: Uw geloof heeft u gered. En hij sloot zich bij hen aan. Juist door onze nabijheid en onze goede zorgen kunnen wij de gekwetste mens helpen te geloven, dat wijzelf en Gods Liefde hem/haar nooit zal verlaten. In deze coronatijden, waar tedere gebaren en nabijheid zo afstandelijk zijn geworden, zullen wij, meer dan anders, op een creatieve wijze moeten zoeken naar tekenen van aandacht en betrokkenheid.

De ziekenzalving wil die zorg en nabijheid van Godswege en de christelijke gemeenschap tot uitdrukking brengen. ‘Is er iemand ziek dan moet men de priester van de gemeenschap roepen. Zij moeten een gebed over de zieke uitspreken en zalven in de naam van Heer’. De handen opleggen is hier de uitdrukking van Gods zorg doorheen de zorgzame handen van zovele mensen. De zalving met olie is de uitdrukking van Gods heilzame zorg voor het gekwetste bestaan van een medemens. Het licht spreekt ons van het doorbreken van Gods Licht in de duisternis van het bestaan. Eenvoudige maar sprekende gebaren die ons verwijzen naar een God die voor de mens redding wenst en geen ondergang.

Ook al leidt de ziekte tot afscheid en sterven, in de ziekenzalving en onze tedere omgang willen God en geliefden de zo kwetsbare mens nabij blijven. Ik denk hierbij aan de uitspraak van de Nederlandse dichter Joost van de Vondel (+1679) ‘Wat niet geheeld kan worden, moet worden gestreeld’. God streelt ons door de liefdevolle zorg van mensen.

 

Pastoor Paul